Ablatie bij atriumfibrilleren

Ablatie bij atriumfibrilleren

Na vele decennia onderzoek is het nu algemeen aanvaard dat in de meeste gevallen atriumfibrilleren wordt geactiveerd (begint) vanuit of dicht bij de longaders. De longaders zijn vaten die de longen verbinden met het linkeratrium, waardoor zuurstofrijk bloed naar het hart kan terugkeren. Normaal gesproken zijn er vier longaders verbonden met het linkeratrium. De atriumspier strekt zich over een korte afstand (tot ongeveer 5 cm) van het linkeratrium uit in de longaders. Bij mensen met atriumfibrilleren is vastgesteld dat deze spierextensies een snelle elektrische activiteit vertonen die niet wordt gereguleerd door de normale activiteit van het hart. Deze abnormale elektrische ontladingen veroorzaken snelle en onregelmatige elektrische activiteit en daardoor zwakke mechanische contracties in de atria.

Momenteel is elektrische isolatie van de longaders de meest verbreide en geaccepteerde strategie voor de behandeling van atriumfibrilleren, waardoor het risico op activering van atriumfibrilleren wordt verminderd. Deze elektrische isolatie wordt bereikt door een procedure die ablatie wordt genoemd. Ablatie wordt uitgevoerd door een cardioloog die gespecialiseerd is in invasief onderzoek en behandeling van hartritmeproblemen (elektrofysioloog), in een hartkatheterisatiekamer in een gespecialiseerd elektrofysiologisch (EP) centrum.

Hoe verloopt de behandeling

Elektrische isolatie van de longaders wordt bereikt door het creëren van een laesie van littekenweefsel rond de longaders. Op deze wijze kunnen de elektrische signalen niet meer door het hart worden geleid. Deze laesies van littekenweefsel kunnen ontstaan door verhitting (radiofrequente katheterablatie) of afkoeling van het weefsel (ablatie met vriesballon).

Ablatie is een minimaal invasieve, gesloten borstprocedure. Door middel van kleine puncties in de lies introduceert de arts meerdere flexibele buisjes (katheters) in een ader in de lies die onder röntgenfluoroscopie naar het rechteratrium worden geleid. Om het linkeratrium te bereiken, doorboort de arts de wand tussen het linker- en rechteratrium met een lange naald en leidt vervolgens de katheter(s) in het linkeratrium.

Ongeacht de gebruikte techniek wordt de longaderisolatie uitgevoerd met de patiënt onder algehele narcose en kunstmatig geventileerd, of met een zelf ademende patiënt onder sedatie.

 

Radiofrequente katheterablatie (RFCA)

Bij de meest gebruikte techniek wordt hoogfrequente wisselstroom (ongeveer 550 KHz) overgebracht door een flexibele katheter met een metaalelektrode aan het uiteinde. De stroomdoorgang verhit het weefsel en creëert een ‘laesie’. Een reeks doorlopende laesies in een cirkel bij de uitmondingen van de rechter en linker longaders resulteren in elektrische isolatie van de longaders van het linkeratrium.

Tijdens deze procedure introduceert de arts twee katheters in het linkeratrium, één om signalen van de beoogde longaders vast te leggen en de andere om zowel RF-stroom op een gewenste locatie toe te dienen als signalen vast te leggen. De procedure wordt geleid door een reconstructie van de anatomie en de vorm van de longaders en het linkeratrium.

Elektrische isolatie wordt geverifieerd door het aanhoudend verdwijnen van elektrische signalen in de longaders en de katheters worden vervolgens verwijderd.

Ablatie met vriesballon

Voor de isolatie van de longader met een vriesballon wordt een speciale, lege ballon (vriesballon) in het linkeratrium ingebracht, vervolgens opgeblazen en aan de ingang van de longaders geplaatst. Tijdens de ablatie produceert de vriesballon zeer lage temperaturen, waardoor het weefsel in contact met de ballonomtrek bevriest. Na voldoende bevriezing (ongeveer 4 minuten in elke ader) wordt de ballon verwarmd, geleegd en verplaatst naar een andere longader, waar de ablatie wordt herhaald. Na behandeling van de vier longaders wordt de resulterende elektrische isolatie geverifieerd door het uitblijven van elektrische signalen in de longaders en worden de katheters vervolgens verwijderd.

 

Andere ablatietechnieken

Er zijn de afgelopen tien jaar veel ablatietechnieken geïntroduceerd, desondanks is deze longaderisolatie nog steeds de basis van ablatie bij atriumfibrilleren. Niettemin kan uw arts er in specifieke situaties voor kiezen om aanvullende technieken uit te voeren om het succes van de procedure te vergroten.

Complicaties

Ablatie is nu een routineprocedure, de katheters en technieken hebben zich enorm ontwikkeld in de afgelopen decennia en de complicatiecijfers zijn gedaald. Er bestaan echter nog steeds risico’s en zowel de patiënten als de artsen moeten zich daarvan bewust zijn.

De meest voorkomende complicatie is bloeding van de punctieplaats in de lies, waardoor gedeeltelijk gestold bloed zich onder de huid of dieper (hematoom) verzameld, wat vaak gevoelig of pijnlijk is. Handmatige compressie en bedrust is meestal voldoende en de bloeduitstorting verdwijnt geleidelijk in de navolgende weken. Als op de plaats van de punctie plotseling een bult verschijnt of groter en pijnlijk wordt, moet de patiënt medische hulp inroepen.

Een ernstigere maar ongebruikelijke complicatie is een kortstondige ischemische aanval (TIA) of beroerte . Tijdens of na de ablatie kan een stolsel vanuit het linkeratrium loskomen en migreren naar een van de systemische arteriële bloedvaten, meestal naar de hersenen, waardoor de toevoer van zuurstof wordt geblokkeerd en weefseldood ontstaat, wat kan resulteren in een beroerte.

Om het risico op beroerte en TIA te elimineren, worden antistollingsgeneesmiddelen voorgeschreven aan elke patiënt die is ingepland voor een AF-ablatie, vanaf ten minste 3-4 weken voor de ingreep en tot ten minste 4 weken na de ingreep of tot de controleafspraak. Bovendien kan worden gekozen om voor de ingreep een transoesophageale echocardiografie of CT-angiografie uit te voeren, om er zeker van te zijn dat er geen stolsel in het linkeratrium aanwezig is. Ook krijgen de patiënten tijdens de ablatie antistollingsmiddelen toegediend. Hierdoor is het risico op beroerte tijdens een ablatie minder dan 1%.

Een andere ernstige maar zeldzame complicatie is harttamponade. Tijdens de ingreep kan de manipulatie van katheters helaas leiden tot schade aan de wand van het hart, wat resulteert in bloedophoping in het zakje rond het hart (pericard). Dit is een levensbedreigende situatie die onmiddellijke behandeling vereist. In de meeste gevallen kan een naaldprik net onder het borstbeen worden gebruikt om een buiskatheter in het zakje rond het hart aan te brengen om het bloed af te tappen. Dit is meestal genoeg om de normale circulatie te herstellen. Het complicatiepercentage voor harttamponade is ongeveer 1-2%.

Er kan ook schade ontstaan aan omliggend weefsel buiten het hart, waaronder zenuwen en de slokdarm. De middenrifszenuw (een belangrijke spier voor de ademhaling) kan beschadigd raken, meestal door ablatie met een vriesballon, wat resulteert in kortademigheid die meestal spontaan binnen weken tot maanden herstelt. De slokdarm, die zich net achter de achterwand van het linkeratrium bevindt, kan beschadigd raken door te hoge of lage temperaturen in het hart. Zelden (ongeveer 1 op de 4000 gevallen) kan een gat met een verbinding tussen het hart en de slokdarm ernstige gevolgen hebben.

Overmatige littekenvorming aan de ingang van de longader(s) kan leiden tot vernauwing van de longaders (pulmonaal-veneuze stenose). Meestal veroorzaakt dit tot weken na de ingreep hoesten, kortademigheid en soms bloed in het spuwsel. Deze vernauwing kan worden behandeld met ballonnen of stents. Er wordt getracht deze complicatie te vermijden door afzonderlijke laesies aan te brengen bij de ingang van de longaders en naar het linkeratrium.

Hoewel het aantal complicaties laag is, is het belangrijk dat u onmiddellijk contact opneemt met uw arts als u klachten heeft na een ablatie.

Herstel en beperkingen na ablatie

Na de ingreep wordt er een paar uur lang een drukverband op de lies aangebracht om het bloeden te stoppen. Bedrust is zeer belangrijk in de eerste uren na een ablatie. Ontslag uit het ziekenhuis vindt meestal plaats op de dag na de ingreep, op voorwaarde dat het bloeden is gestopt en u zich goed voelt.
Na uw ontslag en indien zonder klachten kunt u geleidelijk aan een normaal leven hervatten. Niettemin moeten zware inspanning en lange reizen in de eerste twee weken worden vermeden. Uw arts zal u duidelijke instructies geven over weer aan het werk gaan, training en reizen, die zijn afgestemd op uw persoonlijke omstandigheden.

Medicatie na ablatie

U moet de antistollingsmiddelen (om stolsels te voorkomen) ten minste 4 weken na de ingreep blijven gebruiken. U moet de instructies van uw arts opvolgen, aangezien de aanbevelingen afhankelijk zijn van het plaatselijke protocol. Vaak worden aanvullende geneesmiddelen voorgeschreven om het hartritme en de hartslag te reguleren. Als u vóór de ingreep anti-aritmica heeft gebruikt, zal uw arts beslissen of het mogelijk is om met de medicatie te stoppen. Het kan ook worden aanbevolen om hiermee door te gaan en het gebruik tijdens de nacontrole opnieuw te evalueren. Gewoonlijk voert een elektrofysioloog of cardioloog 4 tot 12 weken na de ingreep een hartevaluatie uit, inclusief een beoordeling van resterende aritmieën (fibrilleren/flutter), hartstatus en voorgeschreven medicatie.

Nadat 12 weken zijn verstreken (de tijd die nodig is voor het stabiliseren van de effecten van de ablatieprocedure), kunt u aanvullende of eerder effectieve anti-aritmicageneesmiddelen voorgeschreven krijgen in het geval van terugkerende hartkloppingen en ECG-documentatie van atriumfibrilleren of ‘flutter’ van het hart. Uiteindelijk kan ook een hernieuwde ablatieprocedure aanbevolen worden. In gevallen van paroxysmaal atriumfibrilleren worden na de initiële procedure in 70-80% van de gevallen succesvolle resultaten waargenomen. Een aanvullende ingreep leidt in meer dan 85% van de gevallen tot onderdrukking van aritmieën. Het succespercentage van een enkele procedure is lager bij patiënten met persistent atriumfibrilleren.

 

Meer informatie over: ‘Hoe moet ik mijn leven veranderen?’

 


Verwante pagina's